Er was eens een mooi jong meisje. Van kleins af aan liep zij graag schaars gekleed rond en iedereen die haar zag was dol op haar, vooral haar grootmoeder. Zij punnikte voor het meisje een rood wollen kapje, dat haar goed stond en zij dagelijks droeg. Verder was haar garderobe beperkt en de vrijzinnigheid van kleden gaf haar de naam Blootkapje.

Op een dag zei moeder: “Kom, Blootkapje, hier heb je een een paar gram wiet en een fles wijn, doe ze in een mandje en breng dat naar oma. Ze voelt zich niet lekker en het zal haar goed doen. Vertrek op tijd en ga buiten het dorp niet van de paden, anders struikel je misschien en breekt de fles. En als je binnen bent bij oma, netjes goeiedag zeggen en niet eerst overal rondsnuffelen.” Blootkapje begreep het belang van haar opdracht en zei: “Ja mama, dat beloof ik.”
Mals hapje
Grootmoeder woonde in het bos, een half uur lopen vanaf het dorp. Toen Blootkapje in het bos was, kwam ze meneer De Wolff tegen. Ze had geen idee dat hij een vuile gluiperd was, dus ze was totaal niet bang voor hem.
“Hallo daar, Blootkapje”, zei hij.
“Hallo, meneer De Wolff”, antwoordde zij.
“Hoef jij niet naar school toe vandaag, lieverd”, ging hij verder.
“Nee, ik ben op weg naar oma”, zei het meisje. “Zij voelt zich niet goed.”
“En wat heb je daar in je mandje dan?” zei hij terwijl hij onder haar jurkje probeerde te kijken.
“Wiet en wijn, daar zal oma van opknappen.”
“En waar woont je oma precies?” wilde hij ook nog weten.
“In het bos, nog ruim een kwartier lopen vanaf hier, in het huisje onder de drie grote eiken”, zei Blootkapje eerlijk.
De Wolff dacht bij zichzelf: dat jonge ding is een heerlijk mals hapje, daar heb ik nog meer zin in dan in die oude vrouw. Als ik slim te werk ga, kan ik ze allebei pakken.
Steeds dieper
De gladjanus bleef nog even naast Blootkapje lopen en zei toen: “Zeg schatje, zie je die mooie bloemen overal, waarom kijk je niet wat om je heen? En hoor je wel hoe prachtig de vogels zingen? Jij loopt alsof je haast hebt en dat terwijl het hier zo aangenaam is.”

Blootkapje keek eens rond en zag hoe de zonnestralen door de bomen schenen en hoeveel kleurrijke bloemen er overal stonden. Ze dacht: als ik voor oma een mooi boeketje meebreng is ze daar vast blij mee. En ik heb nog tijd genoeg. Ze ging van het pad en telkens als ze een bloem plukte en in haar mandje gestopt had, dacht ze dat er verderop een nog mooiere stond. Ze liep ernaartoe en zo raakte ze steeds dieper het bos in.
Gerief
De Wolff haastte zich ondertussen naar het huisje van grootmoeder en klopte op de deur.
“Wie is daar?” vroeg oma.
“Blootkapje, met wiet en wijn”, loog De Wolff. “Mag ik binnenkomen?”
“Zeker”, zei oma, “de deur is open. Loop maar door, ik voel me te beroerd om op te staan.”
Dat liet De Wolff zich geen tweede keer zeggen. Binnen dook hij meteen op de oude vrouw en ging snel en bruut te werk om aan zijn gerief te komen. Na afloop trok hij haar kleren aan en sloot de versufte vrouw op in de kast. Daarna deed hij de gordijnen dicht en ging in bed liggen, de slaapmuts trok hij over zijn gezicht.
Nachtpon
Toen Blootkapje een heleboel bloemen had geplukt, dacht ze weer aan grootmoeder. Ze liep snel verder richting het huisje, dat ze aantrof met een openstaande voordeur. Ze vertrouwde het niet helemaal en keek daarom voorzichtig naar binnen. Wat raar, dacht ze, ik kom hier zo graag maar vandaag vind ik het een beetje eng. “Goeiedag”, riep ze zoals ze moeder beloofd had. Er kwam geen antwoord en daarom liep ze verder. Binnen was het donker, ze opende de gordijnen en nam plaats bij het bed van oma.

Daar lag grootmoeder, die er anders uitzag en een vreemde indruk met de slaapmuts over het gezicht en de lichaamsbeharing die op meerdere plekken onder de nachtpon vandaan keek.
Bobbel onder de dekens
Blootkapje zag het even aan en haar achterdocht maakte plaats voor nieuwsgierigheid.
“Maar oma, wat heb je veel borsthaar”, zei ze als eerste.
“Dat is om beter warm te blijven”, klonk het.
“Maar oma, wat heb je een bierbuik!”
“Dat is omdat ik veel water gedronken heb.”
“Maar oma, wat is dat voor bobbel onder de dekens?”
“Dat is omdat ik niet meer te houden ben!”
En nauwelijks had De Wolff dat gezegd of hij sprong uit bed en vergreep zich zonder aarzelen aan Blootkapje.
Zedendelinquent
Nadat de vuillak zijn lust had bevredigd, liet hij het jonge meisje verstijfd van angst achter op de vloer en kroop hij terug in bed, waar hij voldaan begon te snurken. Daardoor had hij niet in de gaten dat de boswachter voorbij kwam. Wat ligt dat oude besje te ronken, dacht deze meteen, laat ik eens kijken wat haar mankeert. Door de openstaande voordeur liep hij naar binnen en wat hij daar aantrof, kon hij amper bevatten: Blootkapje lag bewegingloos op de grond, haar oma was spoorloos en zedendelinquent De Wolff lag in bed!
“Oh, wat ben ik bang geweest”, kermde Blootkapje toen ze de boswachter zag. “En oma is weg!”
“Neem eerst een flinke teug van de fles wijn die naast je ligt”, adviseerde de boswachter, “daarna gaan we op zoek naar je grootmoeder.”
Vilein
Vanuit de kast klonk er gestommel. “Dat moet oma zijn!” riep Blootkapje verheugd. Ze opende de kastdeur en inderdaad, oma stapte enigszins verward maar springlevend naar buiten. “Neem de rest van de wijn”, zei Blootkapje tegen haar, “en dan nemen we wraak op de ploert die daar in bed ligt.”

Op dat moment werd De Wolff wakker en zijn gezicht verkrampte toen hij doorhad dat hij recht in het dubbelloops jachtgeweer van de boswachter keek. “Geen beweging”, luidde diens bevel. Oma pakte haar scherpste keukenmes en overhandigde dit aan Blootkapje. “Hij is geheel de jouwe”, zei ze met een vileine blik in haar ogen.
High five
Blootkapje bedacht zich geen moment. Ze trok de nachtpon omhoog en met een enkele haal ontdeed ze De Wolff van zijn mannelijkheid. Vervolgens pakte grootmoeder het bloedende stompje en ramde dit zonder enig pardon in de mond van hun belager. Bij het zien van het resultaat gaven Blootkapje en grootmoeder elkaar een welgemeende en zeer terechte high five, de boswachter lag dubbel en bewonderde de daadkracht van een oma en haar kleinkind.
Terwijl ze de wiet rookten, keken ze met zijn drieën toe hoe meneer De Wolff langzaam stikte in zijn eigen geslacht. Hij leefde nog kort en ongelukkig.
